In het derde artikel heb ik geschetst, hoe uiterst droevig de finantieele positie der gemeente Veendam was, en hoe zwaar de lasten der leden.
Toch had het een en ander een verblijdenden
invloed op den geest der leden.
De verstandhouding, eerst zoo koel en onderling verdeeld, werd nu veel
beter.
Ook de verhouding tegenover den predikant werd weder gewoon.
Aan ds. Post werd het achterstallige tractement uitbetaald en 22 Mei
schreef de kerkeraad een brief van dank aan de A. D. S. voor het
gezondene bedrag.
Deze finantieele hulp was echter niet verkregen, dan na een door kerkeraad en leden onderteekend stuk, waarin zij verklaren, dat n i e t de predikant schuld heeft aan het verval der gemeente, doch enkel en alleen de lauwheid en laksheid der leden.
In dit stuk verklaren zij, dat:
"ter voorkoming en wegneming van verkeerde opvattingen, uit liefde tot
de waarheid, thans tusschen de gemeente en haren leeraar ds. H. A.
Post, uit hoofde van deszelfs onberispelijk, ja zelfs voorbeeldig
gedrag, zoo door zijn naarstige betrachting van alle zijne plichten als
leeraar en herder, als door zijn gedrag en wandel, zoodane onderlinge
banden van vriendschap, toegenegenheid en hoogachting bestaan, dat men
met leedwezen heeft vernomen, dat een tegenovergesteld geyoelen onzen
waardigen leeraar moet zijn onstaan op grond van welk ons gevoelen wij
ons verplicht achten te verklaren, dat wij den Opperregeerder der Kerk
oprechtelijk smeken, om zijn WelEerwaarde nog lange jaren in het leven
te sparen, en de benoodigde krachten te verleenen, om onder ons nog
langen tijd het Evangelie te verklaren."
Dit stuk is onderteekend door den geheelen kerkeraad, en verder verklaren de leden, dat zij met de verklaring van den kerkeraad instemmen en dat men ,geen anderen leraar in plaats van onzen waardigen ds. Post verlangde"; Onderteekend door een groot aantal leden.
De op de algemeene ledenvergadering genomen
besluiten moesten nu worden uitgevoerd.
De lijsten werden opgemaakt en zijn van de eerste jaren volledig
aanwezig. De aanslag bedroeg ± f 1200.-- per jaar, over 85
contribuabelen, waarvan 18 in Pekela.
Er deden zich bij het innen dezer contributies
eenige moeilijkheden voor, vooral te Borger-Compagnie.
De aldaar wonende leden weigerden te betalen, daar zij beweerden
kerkelijk onder Sappemeer te behooren.
Borger-Compagnie is in deze jaren een voortdurende twistappel geweest
tusschen de gemeenten Veendam en Sappemeer, het Menniste
Elzas-Lotharingen. Sappemeer beweerde, dat de afstammelingen van de
Oude-Vlamingen te Borger-Compagnie onder Sappemeer behoorden en de
anderen tot Veendam.
Dit kwam in de praktijk neer op dezen toestand, dat alle rijke
landbouwers tot Sappemeer zouden behooren en de armlastigen tot Veendam;
dat dus Sappemeer de inkomsten zou genieten en de diaconie-uitgaven
voor rekening van Veendam zouden zijn.
Op dit vriendelijk aanbod van Sappemeer kon de
gemeente Veendam niet ingaan, en de questie werd daarom aanhangig
gemaakt bij de A.. D. S. te Amsterdam.
De zaak werd geregeld, ten voordeele van Veendam, zoodat nog heden
geheel Borger-Compagnie onder de gemeente Veendam behoort.
Met de betaling te Borger-Compagnie liep het
echter nog niet naar wensch.
Want eenigen aldaar gingen met deze oplossing niet mee en verzetten
zich tegen elke contributieheffing.
Hierover is zelfs gecorrespondeerd met den Staatsraad in de provincie
Groningen, die echter terugschreef, dat hij zich in dergelijke zaken
niet competent voelde.
Ten slotte heeft echter deze questie een goede wending genomen en is in
de nu volgende jaren Borger-Compagnie een der meest belangstellende
deelen der gemeente geweest;
echter zijn daar tegenwoordig slechts enkele leden meer over; de
meesten zijn vertrokken en zal het niet lang meer duren, of
Borger-Compagnie kan geen Menniste questie meer worden, wegens totale
afwezigneid van Doopsgezinden aldaar.
Het resultaat van dergelijke questies is toch
geweest, dat op papier de finantieele toestand wel rooskleurig leek,
doch in werkelijkheid weer nieuwe schulden moesten worden aangegaan.
En in 1827 bleef zelfs de rijkssubsidie uit.
In 1828 werd er weder f 10.-- opgenomen, om in het kerkelijk tekort te
voorzien en in 1830 nog eens f 300.--, geleend door een gemeentelid.
In het najaar van 1830 kreeg echter de gemeente de beschikking over een aan de familie Hulshof in vroegere jaren geleend en thans terugbetaald bedrag van f 1560.--, waardoor de finantieele positie plotseling veel verbeterde.
Ook de zitplaatsen, die tot nog toe niet verhuurd waren, werden nu verhuurd en brachten in 1831 de som van f 35.-- op. Door 't een en ander kon de door de leden op te brengen som verminderd worden tot f 500.--.
Van de jaren 1832-1839 ontbreken helaas al1e stukken.
Notulen werden in deze jaren nooit gemaakt. We zullen dus maar
aannemen: "geen bericht, goed bericht".
Het ledental was echter groeiende, hetgeen blijkt uit de vergelijking
met 1840 en dit is zeker een goed teeken.
Ds. H. A. Post heeft de gemeente nog tot 1839
gediend, 1 Jan. 1839 vroeg en verkreeg hij emeritaat.
Zijn laatste, door hem onderteekende quitantie over 't ontvangen
tractement voor het laatste kwartaal 1838 is nog in 't archief aanwezig
en doet in zijn eenvoud niets vermoeden van de veelbewogen jaren, die
deze predikant te Veendam heeft meegemaakt.
Hij vestigde zich te Stadskanaal en zijn 3 dochters zijn alle hier
gehuwd.
Geesien Post met Hendrik Huizing, Aaltje met Evert Huizing, een broer
van Hendrik.
Van de derde, Grietje Post, kon ik niets meer te weten komen.
Een kleindochter van ds. Post is echter nog steeds lid van onze
gemeente in deze jaren.
Van nu af aan gaat den stroom langs rustiger
bedding; uit het gebergte vol klippen en draaikolken is zij getreden in
haar middenloop, waar ze breeder en kalmer vloeit.
Belangwekkend blijft ze echter toch nog.
Hierover in een volgend artikel.