toespraak W vd Heide foto: Wiepkje vd Heide |
Wij verwelkomen vandaag een bijzonder man met zijn echtgenote, en
prijzen ons gelukkig dat hij voorganger was in onze Doopsgezinde
Gemeente. Hij staat als 1e predikant op de fotogalerij in onze kerk en heeft heel veel gedaan voor de Doopsgezinden en vele anderen in deze regio. Als 1e predikant op de foto omdat daarvoor dat nog niet mogelijk was of te duur. Graag geef ik een indruk van de leraar die hij voor onze doopsgezinde gemeente is geweest: Doopsgezind betekent in die tijd, en nu nog steeds, een religieuze beweging zonder dogma's, met een sterke eigen verantwoording en het promoten van de vrede en geweldloosheid. Alle leden zijn gelijk en noemen elkaar broeders en zusters. |
Toen Winkler Prins op 1 december
1850 werd geïnstalleerd citeerde hij uit de 1e Brief van Paulus
aan de Corinthiërs X : 15
en wel als volgt:
Ik spreek immers tot verstandige mensen; beoordeel dan zelf, wat
ik zeg.
Steeds heb ik mij beijverd, daaraan getrouw te blijven.
Nooit heb ik gezaghebbend tot u gesproken, maar u steeds mijne
overtuiging medegedeeld, terwijl ik als feilbaar mensch altijd eerbied
heb gekoesterd voor de uwe.
Hij wilde daarmee zijn toehoorders prikkelen om met hem in discussie te
gaan om samen tot de beste oplossing te komen.
Alle notulen van de kerkenraadvergaderingen, de verkiezingen, de resultaten van de rekenavonden en de besluiten zijn eigenhandig door Anthony Winkler Prins geschreven op perkament papier. De meeste zijn nog goed leesbaar. Het valt bij het nalezen ervan op, dat hij bij het notuleren kort van stof was.
Uit de notulen valt te lezen dat al 1 jaar na zijn beroeping een intekening volgt voor de aanschaf van een zilveren doopbekken en dito avondmaalbekers. Het doopbekken is nog steeds in ons bezit.
Een jaar later in 1852 wordt de
Doopsgezinde kerkbouw in Pekela doorgezet, waarover men al 4 jaar
debatteerde.
Dit leverde hem overigens een aanzienlijke traktementsverhoging op van
200 gulden omdat hij elke 2 weken een extra preek moest houden.
Winkler Prins heeft zich vooral
ingezet voor de armen, weduwen en de wezen.
Aan het ministerie van binnenlandse zaken werd aandacht gevraagd voor
de armen, hetgeen echter niets opleverde.
In 1855 heeft hij gezorgd voor een reglement voor de diakonie van de DG
gemeente. Deze bekommerde zich toen veel om de behoeftige.
In 1858 volgt een reglement voor het weduwenfonds.
In 1859 houdt hij een collecte voor het emeritaatsfonds want AOW of
pensioen bestonden toen nog niet.
In 1860 sluit de Doopsgezinde Gemeente Veendam zich aan bij "den
Algemeenen regeling der armenzaken en kerkgemeenschappen", wat
tegenwoordig bijstand heet, maar toentertijd nog niet bestond.
Voor de lange termijn wordt in 1860
een fonds in het leven geroepen opdat van de rente hiervan lopende
zaken kunnen worden bekostigd en het blijkt tevens een buffer voor
grote tegenvallers. Ook hiervoor komt een reglement, met de bepaling:
In den eersten plaats dienen de opbrengsten voor het tractement
van den leeraar.
Overigens had men er 7 jaar over gepraat voor het werd ingesteld.
6 jaar later pas volgt een tractementsverhoging voor de voorganger van
Veendam en Pekela van elk 100 gulden.
Toch was Winkler Prins een man met weinig behoeften en een zeer sobere
levenswijze.
toespraak W vd Heide foto: Wiepkje vd Heide |
WP had het naar zijn zin in Veendam. |
1863 en 1864 staan in het teken
van verbeteringen van de pastorie aan het Oosterdiep en betere
bereikbaarheid van de kerk daarnaast.
Een kerkenkamer werd gebouwd, een brug over het diep en een
paardenstal. Deze werd later nog voorzien van een pomp.
Deze beslissingen werden genomen door 18 broeders! In een gemeente van
142 zielen?
In 1869 werd voor 1400 gulden een
orgel gebouwd.
Na 6 maanden is het klaar met een overschrijding van slechts 14 gulden.
Organisten verdienden in die tijd trouwens 50 gulden per jaar, dus 1
gulden per dienst.
Een vraag om 50 % verhoging werd afgewezen wegens geldgebrek.
In de ruim 30 jaar van zijn
werkzaamheden in Veendam heeft Winkler Prins zich doen kennen als een
christenleraar die sterk tegen geloofsverdeeldheid was.
Om zijn schonen voordracht werd hij door velen geroemd.
Toch was hij vooral een exacte wetenschapper die op onnavolgbare wijze
een duurzame verzoening tussen geloof en wetenschap voorstond, getuige
de uitspraak:
Beide heiligdommen, dat des geloofs en dat der wetenschap, staan
onvoltooid naast elkander. Zij zijn bestemd om volgens de eeuwige
wetten der harmonie, één enkel gebouw te vormen, om er,
wanneer beide een genoegzame hoogte hebben bereikt, een tweede,
gemeenschappelijke verdieping op te plaatsen.
Over zijn werkzaamheden schreef hij:
"In eeuwige dribbeldrukte drentel ik van week tot week, van preek
tot preek - niets is mij duurder dan tijd"
Hoe eigentijds klinkt dit in onze nog veel drukkere tijd.
In een ander verband schrijft hij over zijn gebrek aan tijd:
na een opsomming van de vele functies volgt de toevoeging "
… dat ik waarlijk geen tijd te veel heb. En de tijd wordt mij nog
dikwijls door commissievergaderingen ontnomen of door bezoek
ontfutseld. Ziedaar eene schets van mijne buitengewone bezigheden.
De gewone heb ik buitendien."
Over zijn beroep heeft hij niet veel
geschreven, slechts 2 uitgaven zijn bekend:
- een exemplaar van gedrukte preken in 1851, waarvan vooral de vierde
leerrede
"Gods grootheid door den sterrenhemel verkondigd" uitmunt
Zij onderscheiden zich door rijkdom van gedachten en zuiverheid van
taal.
- De andere uitgave is zijn afscheidsrede van 24 sept. 1882
Uit de Voorrede hiervan de kenmerkende zin:
Deze afscheidsrede is niet bestemd voor de pers.
Winkler Prins stond liever niet in de publiciteit en deed zijn werk in
stilte.
de afscheidsrede heeft als thema
Galaten 5 :1
Staat dan in den vrijheid, met welke Christus ons vrijgemaakt heeft, en
wordt niet wederom met een juk van dienstbaarheid bevangen.
Hij verontschuldigde zich hierin
voor het tekort aan aandacht aan de gemeente met de woorden:
Mijne tekortkomingen! Ja, ik weet, dat ze talrijk zijn en vraag u
daarvoor verschooning van ganscher harte.
Zoals de neiging om mij ook met andere dan gemeentelijke belangen te
bemoeien, en de plicht om in de behoeften van een talrijk huisgezin te
voorzien.
Uit de afscheidsrede blijkt dat ook
in 1882 sprake was van ontkerkelijking.
WP erkende dat het verflauwend kerkbezoek niet opwekkend was
voor de leraar.
In een adem voegde hij er desalniettemin aan toe dat het
verflauwend kerkbezoek hier ter plaatse niet erger was dan elders.
Hij had er alle begrip voor, want zo zei hij:
wij zijn ontwassen aan den tijd, toen kerkverzuim beschouwd werd
als eene onvergeeflijke zonde.
Een opmerkelijke uitspraak anno 1882.
En dan besluit ik met een citaat uit
het slot van de afscheidsrede gehouden op 24 sept. 1882
En nu, geliefde Broeders en Zusters mijner Gemeente en gij allen,
wie gij ook zijn moogt, inwoners van Veendam en Wildervank, ik breng u
de groet des afscheids.
Ik ga vanhier, maar mijn hart blijft met vele banden aan u allen
gehecht.
Het is mijn oprechte wensch, dat gij moogt toenemen in stoffelijke
welvaart, maar bovenal in ontwikkeling des geestes en in veredeling des
harten.
Ik ga vanhier, maar wilt aan den man dien mijne plaats zal innemen, de
medewerking, de vriendschap, de belangstelling niet onthouden, die gij
steeds aan mij in zoo hooge mate hebt verleend.
Wanneer ik in den vreemde ben neergezeten, zal ik gedurig met mijne
gedachten in uw midden zijn.
Maar na den dag der scheiding zal ook die des wederziens aanbreken -
althans wij hopen het.
Dan zullen wij met een dankbaar gemoed de oude banden der vriendschap
versterken.
Mogen wij slechts staande blijven in de vrijheid, waarmede Christus ons
heeft vrijgemaakt, - dan zal het licht van geloof, hoop en liefde onzen
levensweg bestralen, - dan zullen wij eenmaal gerust het hoofd op den
stervenssponde nederleggen.
Vaartwel - vaart allen wel!
Wij zullen als doopsgezinde gemeente
in Veendam ons huidige onderkomen over niet al te lange tijd moeten
verlaten.
Wij hebben in ons bezit een zilveren doopbekken, aangeschaft in 1851,
een jaar nadat Anthony Winkler Prins dominee in Veendam werd.
Buiten een intekenactie is verder niets in de notulen terug te vinden
over dit bekken, maar het is aannemelijk dat Winkler Prins de aanzet
hiervoor heeft gegeven.
Het lijkt ons dan ook een gepast moment, nu alvast aan te kondigen, het
Winkler Prins kabinet in het Veenkoloniaal Museum, met dit doopbekken
te willen verrijken door het in bruikleen af te staan aan het Museum.
Wij, als Doopsgezinde gemeente in
Veendam, zijn blij met de terugkeer van een bijzondere voorganger.
Hier wil ik het graag bij laten. Dank u wel.
Normaal = eigen tekst Wieb vd
Heide
Cursief vet = citaten van Winkler Prins
Bron:
- Notulenboek van de Doopsgezinde Gemeente Veendam Wildervank
- Manuscript van een artikel "In eeuwige dribbeldrukte ..
- Levensberichten afgestorven medeleden van de maatschappij der
Nederlandsche letterkunde Joh. Dyserinck 15 nov 1908
- Een bekende onbekende Gjalt vd Mark 1988