home > over ons > geschiedenis

geschiedenis

Doopsgezinden in de provincie Groningen
De geschiedenis van de doopsgezinden in de provincie Groningen begint al vroeg in de zestiende eeuw. In de twee eeuwen daarna groeide hun aantal fors, aanvankelijk tegen de verdrukking in. In een groot aantal plaatsen werden samenkomsten gehouden, soms in speciaal voor dat doel ingerichte gebouwen, vaak ook gewoon bij een doopsgezinde thuis.

De doopsgezinden vormen een van de oudste stromingen binnen het protestantisme. In Nederland stonden ze vooral bekend als menisten of mennonieten, naar hun leidsman Menno Simons (1494-1561). Deze voormalige pastoor uit Witmarsum trad in 1536 uit de katholieke kerk, waarna hij de belangrijkste woordvoerder werd van de verspreide groepen die zich al enkele jaren van het heersende geloof hadden afgekeerd. Zijn geschriften vormen tot op de dag van vandaag het uitgangspunt voor de doopsgezinde "leer". Ook verwante groeperingen hebben zich uiteindelijk rond zijn naam geschaard.

De doopsgezinde richting had vanouds in de provincie Groningen, net als in de overige Nederlandse kustgewesten, veel aanhangers. Deze richting kenmerkt zich door pricipiŽle geweldloosheid, een sobere levenswijze en afkeer van iedere hiŽrarchie.†
Meer nog dan hervormden en gereformeerden beschouwen de doopsgezinden kerkelijke rituelen als een formaliteit die de aandacht afleidt van het eigenlijke geloofsleven.


Volwassen doop

Doopsgezinden worden dan ook pas op volwassen leeftijd gedoopt, nadat ze een persoonlijk (mee-)opgestelde geloofsbelijdenis hebben afgelegd voor de gemeente. Oorspronkelijk was de volwassenen-doop tegelijkertijd een protest tegen de dooppraktjk in de katho;ieke kerk, die als het ware een toegangskaartje tot het hiernamaals vormde. Door zich opnieuw te laten dopen, maakten de wederdopers of anabaptisten - zoals de eerste doopsgezinden werden genoemd - duidelijk dat ze niet meer bij die officiŽle kerk wilden horen.

Tot in de negentiende eeuw gingen de meeste doopsgezinden nauwelijks om met anders-denkenden. Ze hielden zich afzijdig van wereldse pracht en praal en leefden in stilte, als waren ze in afwachting van de dag des oordeels. Met de politiek bemoeiden ze zich weinig. Het was hen zelfs verboden om de eed af te leggen of in overheidsdienst te treden.

Aan elkaars leefwijze stelden ze strenge eisen, waarbij eerlijkheid en zelfbeheersing voorop stonden. Een man diende zich hoe dan ook aan te houden aan zijn woord. Wie niet aan deze hoge eisen kon/wilde voldoen, werd uit de groep gestoten. Alleen met een zuiver hart kon men op Gods genade rekenen.


Biestkens-bijbel

Het bijbelwoord stond bij de doopsgezinden hoog aangeschreven. Al rond 1550 hadden zij eigen bijbelvertalingen, zoals de zogenaamde "Biestkens-bijbel", die vaak in het veilige Emden werden gedrukt. Later maakten zij meestal gebruik van de gereformeerde Staten-vertaling. Over de uitleg van de bijbel konden ze het niet altijd eens worden. Er bestonden vijf tot tien verschillende richtingen en bovendien een groot aantal, onafhankelijke, gemeenten, die ieder voor zich het alleenrecht opeisten...

De verschillende groepen kwamen bijeen in huiskamers en boerenschuren, later meestal, overeenkomstig de wettelijke eisen van die tijd, in eigen schuilkerken, vermaanhuizen of "vermaningen", waarbij lekenpredikers of oudsten de dienst leidden. Pas in de tweede helft van de achttiende eeuw werden bezoldigde predikanten aangesteld. De verschillende doopsgezinde gemeenten in Nederland sloten zich vooral voor de opleiding van die predikanten - aan het doopsgezind seminarie te Amsterdam - in 1811 aan bij de A.D.S., de Algemene Doopsgezinde SociŽteit, die ook nu nog hun gemeenschappelijke spreekbuis is.

Waren de doopsgezinde gemeenten aanvankelijk vervolgde gemeenten, en konden zij ook niet met overheidshulp een kerk overnemen en geschikt maken voor hun prediking, met het ontstaan van enige tolerantie eind zestiende eeuw konden ze een simpele vermaning opbouwen, mits achteraf gelegen. Sommige vermaningen hadden de - onopvallende - vorm van een boerenschuur of woonhuis, andere stonden achter bestaande bebouwing, niet (echt) zichtbaar vanaf de openbare weg. Zowel van binnen als van buiten waren het uiterst sobere gebouwen, aansluitend bij het doperse gedachtengoed. In de achttiende eeuw kwamen er langzamerhand orgels in hun kerken.

Voor de informatie in deze tekst heb ik dankbaar gebruik gemaakt van:†
O.S.Knottnerus, Doopsgezinden in Groningen, en van:†
R.Hiddema, De Doopsgezinde Kerk te Stadskanaal.†
Onstwedde, 2005, J.J.Bolt, Doopsgezinde Gemeente Oost-Groningen.

Uit ons archief een een aantal artikelen, allen in pdf die in een apart venster openen en daar zowel gelezen als gedownload kunnen worden.

Geschiedenis van de Doopsgezinde gemeente Veendam - Wildervanck
Zoals verschenen in de Zondagsbode in 1925. In 6 delen.
1647: Deel 1  1711: Deel 2 1808: Deel 3 1827: Deel 4 1839: Deel 5 1841: Deel 6

Herbegrafenis Ds. Anthony Winkler Prins - persbericht
Toespraken tijdens de herbegrafenis van Ds. Anthony Winkler Prins:
Toespraak Petra Maters, directeur Veenkoloniaal Museum
Toespraak A. Meijerman, burgemeester van Veendam
Toespraak J. Winkler Prins, namens de Winkler Prins familie
Toespraak W. van der Heide, namens de Doopsgezinde Gemeente Veendam
Grafrede Coot Winkler Prins, namens de Winkler Prins familie
Predikanten van de DG Veendam-Wildervanck
Meer informatie   ANBI-register Doopsgezinde Gemeente Noordoost Nederland
contact maandblad sitemap
routebeschrijving nieuwsbrief disclaimer
veelgestelde vragen inloggen colofon
© 2017 Doopsgezind.nl